foto_1foto_4foto_2foto_3
Bookmark and Share

Toonaudiogram

Een toonaudiogram legt vast hoe goed iemand tonen van verschillende sterkte en hoogte kan horen. Er worden verschillende piepjes aangeboden; soms hard, soms zacht, soms hoog, soms laag.

Een toonaudiogram geeft dus een grafische voorstelling van de absolute gehoordrempel van een persoon in functie van de frequentie. De laagste intensiteit die nog net wordt gehoord, wordt als hoordrempel genomen. Deze drempel wordt bepaald bij verschillende frequenties (125, 250, 500, 1000, 2000, 4000 en 8000 Hz).

In een audiogram betekent de 0 dB lijn de drempel van de normaalhorende. De rechte (rode) lijn in onderstaande figuur laat het audiogram van een goedhorende zien (luchtgeleiding).

Audiogram van een goedhorende:audiogram

De hier geteste persoon heeft dus bij alle geteste frequenties (op de horizontale as en uitgedrukt in kHz=kilo Hertz) 0 dB (verticale as) gehoorverlies.

Deze test wordt in een stille kamer uitgevoerd via een audiometer en een koptelefoon, waardoor elk oor apart kan getest worden.

Een tonale gehoortest wordt systematisch gedaan bij het medisch onderzoek op school.

Audiogram van een persoon met gehoorproblemen:

audiogram slechthorendeHet gehoorverlies wordt uitgedrukt in het aantal dB's (deciBels) verschil ten opzichte van de 0 dB-lijn van de normaalhorende.
Het resultaat in bovenstaande figuur vertelt ons dus dat deze persoon 20 dB gehoorverlies heeft bij 125 Hz (zeer lage toon), 10 dB gehoorverlies heeft bij 500 Hz (middentoon) en 70dB gehoorverlies heeft bij 4000 Hz (hoge toon)

Een verlies in de hoge tonen leidt tot het niet meer (goed) waarnemen van de (voor spraak) zo belangrijke medeklinkers (m, n, b, s, t etc.). Een verlies in de lage tonen leidt tot het niet meer goed waarnemen van de klinkers.

Een spreker met een normaal spreekvolume praat op een gemiddelde intensiteit van ongeveer 65 dB. Een deel van de spraak zal harder klinken, een deel zachter. In onderstaand audiogram is met een blauwe “spraakbanaan” weergegeven bij welke frequenties en met welke intensiteit normale' spraak zich voordoet. Het gedeelte van deze spraakbanaan dat boven de rode lijn ligt is voor deze slechthorende persoon niet meer hoorbaar. Hij zal de meeste medeklinkers dus niet meer kunnen waarnemen. Omdat de medeklinkers voornamelijk bepalend zijn voor het onderscheiden van klanken,en dus ook voor het verstaan van spraak, zal bij deze persoon het volgen van een gesprek problematisch zijn. Dit leidt ertoe dat deze slechthorende ook de tv en de radio een stuk harder zal zetten om de gesprekken of het verloop van de uitzending te kunnen volgen.

De curve in een audiogram kan veel verschillende vormen aannemen. Meestal doet het gehoorverlies zich eerst voor in de hoge tonen, ook wanneer de persoon in kwestie door laagfrequent lawaai slechthorend is geworden.

Wanneer het gehoor slechter wordt zal de lijn meer naar beneden verschuiven. Hoe lager de lijn dus ligt hoe slechter het gehoor.

ToonaudiogramDe beengeleidingsdrempel (zwarte lijn) in bovenstaand audiogram is normaal, terwijl de luchtgeleidingsdrempel (rode lijn) zo'n 30 dB bedraagt. Het verschil tussen deze twee drempels wordt de 'air-bone' gap genoemd.
De beengeleidingsdrempel laat zien dat het perceptieve deel van het oor (het binnenoor dus) normaal werkt. De trilling die via een vibratorblokje op de schedel wordt overgebracht, wordt direct getransporteerd naar het binnenoor. Bijvoorbeeld: de tonen die via de koptelefoon worden aangeboden, worden in hun weg belemmerd door het vocht dat zich achter het trommelvlies bevindt. Uit het audiogram is op te maken dat het middenoor niet goed functioneert. Er is hier sprake van een geleidingsverlies.

Als de luchtgeleidingsdrempel en begeleidingsdrempel gelijk liggen, dan spreken we van een perceptieverlies.

Wanneer is er nu sprake van een normaal gehoor en een (zeer) licht, matig, ernstig of zeer ernstig gehoorverlies? Onderstaande indeling kan hierbij enig inzicht geven:

- 0 tot en met 15 dB:
Normaal gehoor. Er zijn geen nadelige effecten te verwachten
- 15 tot en met 25 dB:
Zeer licht gehoorverlies. Soms moeite met het verstaan van zachte spraak en enige moeite met het volgen van een conversatie in een rumoeirge omgevingen (kroeg, receptie, vergadering, presentatie, restaurant).
- 25 tot en met 40 dB:
Licht gehoorverlies. Moeite met het verstaan van iemand op afstand (zachte spraak), de tv moet vaak een tikkeltje harder worden gezet en in rumoerige omgevingen moet al een aardige inspanning worden geleverd om de conversatie te volgen.
- 40 tot en met 70 dB:
Middelmatig gehoorverlies. Anderen kunnen alleen nog worden verstaan als deze luider gaan praten en op korte afstand blijven. De tv moet zodanig hard worden gezet dat anderen, die zich in de zelfde ruimte bevinden, dit als herrie gaan ervaren. Verstaan in een rumoerige omgeving is problematisch.
- 70 tot en met 90 dB:
Ernstig gehoorverlies. Iemand die zich op korte afstand bevindt, moet schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. De tv moet zodanig hard worden gezet, dat eventuele buren hier hinder van ondervinden. De huisbel en telefoonbel worden niet meer opgemerkt wanneer deze op afstand klinkt. Conversaties in een rumoerige omgeving zullen zo goed als onmogelijk zijn.
- 90 dB en meer:
Zeer ernstig gehoorverlies. Alleen heel harde geluiden zijn nog waarneembaar. Een conversatie is niet meer te volgen, omdat (normale) spraak zelfs in stilte niet meer wordt gehoord.


Bovengenoemde indeling is globaal en gebaseerd op het audiogram.
Bij één en het zelfde audiogram kan een aanzienlijke variatie worden gevonden in de mogelijkheid om een gesprek te volgen in geroezemoes.
Om meer inzicht te krijgen in hoeverre iemand in staat is spraak te verstaan, wordt vaak een spraakaudiogram afgenomen en in sommige gevallen een test die inzicht geeft hoe goed iemand in staat is spraak te verstaan in achtergrondlawaai.

Terug naar gehoorproblemen.